Wat staat er in het akkoord?
Bedoeling is dat de wettelijke pensioenleeftijd vanaf 2030 op 67 jaar ligt. Maar dit zal niet van de ene dag op de andere gebeuren.
De verhoging verloopt in twee stappen. Tot 2024 blijft de wettelijke pensioenleeftijd 65 jaar. In 2025 komt er een eerste verhoging, van 65 naar 66 jaar. In 2030 wordt dit dan 67 jaar.
Bovendien zijn er overgangsmaatregelen voorzien. Wie in 2016 58 jaar is, zal maximaal twee jaar extra moeten werken. Wie dan 59 is, moet er maximaal één jaar bijdoen.
Wat betekent dit concreet voor u?
Voor wie momenteel ouder dan 57 jaar is, verandert er helemaal niets. Hij of zij valt onder de bestaande pensioenregeling.
Wie momenteel 57 jaar is (en dus 59 in 2016), werkt maximaal één jaar langer dan nu het geval is.
Wie momenteel 56 jaar is (en dus 58 in 2016), moet er maximaal twee jaar extra bijdoen.
Wie momenteel tussen de 51 en 55 jaar is, kan voor 2025 met pensioen, wanneer de wettelijke pensioenleeftijd voor het eerst omhoog gaat. Hij of zij moet dan werken tot zijn of haar 66ste.
Wie momenteel jonger dan 51 jaar is, zal met pensioen gaan wanneer de overgangsperiode voorbij is. Hij of zij moet dan wachten tot zijn of haar 67ste om met pensioen te gaan.
Overgangsmaatregelen en uitzonderingen
1. Vervroegd pensioen zal vanaf 2030 pas mogelijk zijn vanaf 63 jaar, na een loopbaan van 41 jaar. De Zweedse coalitie gaat voortbouwen op de hervormingen die de regering-Di Rupo al op de rails zette. Wie vandaag 61 is en een loopbaan van 39 jaar achter de rug heeft, kan door die hervormingen vandaag al met vervroegd pensioen. Tegen 2016 wordt dit opgetrokken tot 62 en een loopbaan van 40 jaar. N-VA, CD&V, Open VLD en MR gaat dit nu optrekken tot 63 jaar en een loopbaan van 42 jaar.

2. Door het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd tot 67 jaar wordt geen onderscheid gemaakt tussen iemand die op zijn of haar 16de begon te werken of iemand die pas op zijn of haar 24ste aan de slag ging. Nochtans was in de formateursnota en in de verkiezingsprogramma’s van de onderhandelaars sprake van het optrekken van de loopbaanduur naar 45 jaar, en niet van het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd